Exmoor pony's bij een opdrogende poel. De beheerder houdt hun conditie en de beschikbaarheid van water en voedsel in de gaten.

Het beste beheer van kuddes grote grazers

Wildlevende paarden en runderen planten zich jaarlijks voort. De kuddes groeien daardoor, maar de natuurgebieden waar ze in leven groeien meestal niet mee. Dan komt vroeg of laat de vraag waarmee menig beheerder worstelt: wanneer zijn de kuddes te groot en passen de grazers niet meer in het gebied? Een vraag die ook regelmaIn dit derde bericht in de serie over natuurlijke begrazing beantwoorden we de vraag hoe kuddes grote grazers het best beheerd kunnen worden als er géén of weinig roofdieren zijn die de grootte van kuddes in toom houden. ARK Natuurontwikkeling besteedt er met teksten van Leo Linnartz en Hettie Meertens aandacht aan. 

Bodem en vegetatie maken groot verschil

Voor antwoord op de vraag hoeveel grazers er in een natuurgebied passen, moeten we eerst naar de bodem en de vegetatie van een gebied kijken. Op voedselrijke grond groeit meer dan op voedselarme grond en de voedselkwaliteit van de gewassen is daar ook nog eens beter. De structuur van de vegetatie maakt ook verschil: in een donker bos is minder voedsel dan in een open bos met een goed ontwikkelde struik- en kruidlaag. En een jong bos met laag hangende takken en bladeren biedt meer voedsel dan een oud bos met hooguit wat eetbare bast en schors. Iets vergelijkbaars geldt voor open water. Is het water diep of ondiep met behalve waterplanten, ook veel moeras- en oeverplanten? En hoe is de staat van het grasland? Een goed ontwikkeld grasland met grassen en overjarige kruiden biedt meer voedsel dan één met veel éénjarige pioniers.

Zomer en winter

Zoals al eerder in deze serie aan bod kwam, is er ook de kwestie van de seizoenen. In het zomerhalfjaar is alles groen en de vegetatie blijft aangroeien. In de winter daarentegen, staat de groei op een laag pitje en zijn veel kruiden en grassen verdor

tig door het publiek wordt gesteld. Veel grazers vangen voedselschaarste op door in de (na)zomer een dikke vetlaag aan te leggen en daar in de winter op te teren. Ook valt in Nederlandse winters de grasgroei zelden voor lange tijd stil, en is er zelfs onder een sneeuwdek nog groen gras te vinden. Verder bieden twijgen, knoppen en bast een uitkomst. Een afwisselend landschap met verspreide bomen, struiken, graslanden en moerassen heeft dus veel meer te bieden voor wildlevende grote grazers in de natuur dan bijvoorbeeld gesloten bos. Wildlevende dieren weten uitstekend waar wat te halen is. En sterker nog, deze kennis wordt door moeder aan haar jong doorgegeven en binnen de kudde gedeeld. Hoe langer een kudde in hetzelfde gebied leeft, hoe meer kennis over de beschikbaarheid van voedsel, drinkwater en beschutting er is.

Grazers vullen elkaar aan

Iedere grazer vreet op zijn eigen manier, en heeft zijn eigen voorkeuren. Grote grazers hebben veel voedsel nodig, maar kunnen met schralere vegetatie overweg dan kleinere dieren, zoals herten. Runderen vreten het ruwe lange gras kort en vreten gesloten ruigten open, waardoor het geschikter wordt voor paarden, die het verder afgrazen. De korte grasmat is dan weer uitstekend voor herten, konijnen en ganzen. Meerdere soorten in een natuurgebied benutten dus een completer deel van het voedselaanbod. Dat de ene soort de voedselbeschikbaarheid voor de andere soort verbetert, wordt ook wel ‘facilitatie’ genoemd.

Natuurlijke populatiedynamiek

Het is een natuurlijk proces dat er meer wilde dieren sterven als de draagkracht van een gebied is bereikt. Er is dan niet meer genoeg voedsel voor iedereen. De zwakkere dieren redden het niet, maar de sterke wel en die planten zich het volgende jaar weer voort. De draagkracht van een gebied wordt dus nooit langdurig overschreden. Roofdieren, zoals wolven, spelen daar ook een rol in. Zij houden hun prooidieren in beweging en selecteren voortdurend de zwakkeren er uit. Dit dempt de populatieaanwas en roomt de kuddes af. Vooral bij de kleinere grazers, zoals edelherten en damherten is de invloed van predatie groot. Uit een kudde runderen of paarden is nu eenmaal lastiger een prooi te halen dan een enkel hert of konijn. Daar staat tegenover dat de reproductie van de kleinere grazers hoger ligt dan bij runderen en paarden. Bovendien kunnen kleine grazers het gras korter afeten, waardoor er minder voor de grotere soorten over is. De concurrentie gaat dus van klein naar groot, maar predatie heeft een sterker effect op de kleine soorten. Samengevat: voedselaanbod, facilitatie, concurrentie en predatie bepalen samen hoeveel grazers in een gebied kunnen leven en in welke samenstelling.

In de praktijk blijkt dat begrazing (net) onder de draagkracht van een gebied positief uitwerkt voor de biodiversiteit. Predatie helpt om dit te bereiken. Maar als grote roofdieren afwezig zijn of als het gebied relatief klein is, dan is beheer nodig

 Dieren uit onze dnatuurgebieden worden binnen Nederland of elders herplaatst. Beheerders houden conditie, natuur en vegetatie in de gaten. Het is hun verantwoordelijkheid of er moet worden bijgevoerd.